Nachtvisser (Mourad geinterviewd door krant De Pers)
'De oude man had een muts van rode wol die hij altijd droeg, winter of zomer. Hij zat aan het watertje waar ik langsliep op weg naar school. Ik was zeven. Hij leerde me vissen, voorns en brasems, met een bamboehengeltje. En hij vertelde me wat hij had geleerd. In de oorlog, in het kamp, want hij was joods, en in het leven. Hij zei dat ik moest gaan studeren. Autotechniek, daar zat werk in. Ik denk dat hij me wilde voorbereiden op een hard bestaan. Het was geen pretje waar we woonden in die tijd.’
De nachtvisser zit aan de waterkant, weggedoken in zijn donsjack. Hij heeft een dun ringbaardje, nauwelijks zichtbaar in het donker. Een volle maan beschijnt zijn rug en de laatste flats van de stad. Achter het riet nog een benzinestation, daarna beginnen de polders.
‘Het liep tegen de schemering toen het oppervlak begon te kolken. Precies achter mijn dobber, waar de zon het water raakte. Schubben zag ik, een rug, een grote bek die naar lucht hapte. Een karper, zei de oude man. Die kun jij nog niet vangen. Daar heb je een werphengel met een molen voor nodig. Twaalf gulden vijftig kostte die. Ik heb er drie maanden zakgeld voor opzij gelegd. Toen ik het bij elkaar had, was de oude man gestorven. Hij woonde in dezelfde flat, precies twee verdiepingen onder ons.’
Dit is een van zijn vaste stekjes. Hij zit hier één, twee nachten in de week. Alleen of met een maatje, soms met zijn studieboeken.
‘Als je ziet wat ik nou aan spullen heb… schrik niet, ik denk vijf-, zesduizend euro. Ik heb een bootje voor op de plassen. M’n eigen auto, m’n tent, m’n slaapzak. Die molens, daar heb ik er vier van, die zijn tweehonderd euro per stuk. Een stretcher en nog een stoel. Al deze haakjes en lijnen.’
Aan het eind van de avond zet hij zijn tentje op en valt in slaap. Gepiep van de hengelmolen wekt hem als hij beet heeft. Hij heeft foto’s op zijn telefoonscherm staan, waarop hij geknield een karper in handen houdt. Joekels van dertig, vijfendertig pond, eerbiedig kijkt hij op ze neer. Hij weet precies waar ze zich schuilhouden. ‘Kijk, dit is mijn vriend.’ Die heeft hij vijf, zes keer beet gehad.
‘Het zijn slimme beesten, die zich niet makkelijk laten vangen. Ze zoeken een plek waar ze zich veilig voelen. In de beschutting van het riet, of waar het water warm is. Paaien doe ze in het voorjaar. Hun eitjes blijven kleven aan de vleugels van ganzen. Zo komen ze in plassen en meren terecht. Oorspronkelijk komen ze uit China. Voordat ze hier kwamen, moeten ze in Iran zijn geweest. Dat ligt op de route.’
Van zijn vaderland herinnert hij zich weinig. Alleen dat er een raket in hun achtertuin landde. Zijn ouders namen hem halsoverkop mee, in een vrachtauto over de bergen. Nu is hij 25, hbo-student, automonteur in het weekend. Handelen doet hij ook. Laatst had hij een plasma-tv op de kop getikt en weer doorverkocht. Half uurtje werk, twaalfhonderd euro. Hij weet nog niet wat hij wil worden. Ja, rijk. Misschien gaat hij wel naar Amerika. Daar hebben ze ook karpers. ‘Trekvogels komen overal’, zegt hij.
Maartje Duin
(gepubliceerd in krant De Pers, 30 november 2007)
Link naar de website van auteur.
Reacties:



































